Nederlandse filosofen - ze bestaan. En ze zijn lezenswaardig. Sterker, ook in vertaling genieten Nederlandse wijsgeren veel aanzien. Frits Staal, Gerard de Vries en prof.dr. Rudolph A. Makkreel, bijvoorbeeld, zijn gevierde filosofen die in het verre buitenland furore hebben gemaakt. Ook na Descartes, Erasmus en Spinoza is de filosofie in Nederland springlevend. Nu filosofie tot het curriculum van vele Nederlandse lycea en gymnasia behoort, is het vak populairder dan ooit. Deze hausse biedt alle aanleiding tot onderstaand expose over enkele vergeten Nederlandse filosofen die een zeer waardevolle bijdrage hebben geleverd aan het filosofisch discours in de twintigste eeuw.
Jan Hollak (1915-2003) doceerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was begonnen als assistent van Henk Pos, een geëngageerd filosoof, gekend antifascist en humanist. Hollak was thuis in zowel de klassieke filosofie als de moderne continentale wijsbegeerte. Half in het eeuwenoude verleden, half in het moderne heden, dat was voor Hollak de positie van de filosoof. Hollak was Hegeliaan, of volgens sommige vakgenoten 'de laatste Hegeliaan'. Dit vertaalde zich niet alleen in een schier onafzienbare reeks cryptogrammatische teksten die velen nog altijd voor onleesbaar houden (zie bijvoorbeeld Hegel, Marx en de cybernetica (1963) en zijn oratie Van causa sui tot automatie (1966)). Hij beoefende het hegelianisme op het hoogste professionele niveau dat Nederland ooit heeft gekend. In 1966 werd Hollak hoogleraar in Nijmegen maar hij kreeg ook een leeropdracht in Amsterdam, waar zijn colleges volle zalen trokken. De excentrieke Hollak had gaandeweg een cultstatus verworven en voorzag in de kritiese behoeften van de studenten die bij hem college liepen. "Als hij sprak, sprak de filosofie," schreef Antoine Verbij in een in memoriam over Hollak. "Hij was de vleesgeworden dialectiek, de levende geest van Hegel. Op zijn colleges heerste een bijna devote sfeer. Zelfbenoemde paladijnen en epigonen bezetten al ruim voor aanvang de voorste banken en stelden omslachtig hun bandrecorders op. Andere toehoorders probeerden al schrijvend het millimeterwerk van Hollaks uiteenzettingen vast te leggen. De gezichten drukten nu eens opgetogen fascinatie uit, dan weer radeloze wanhoop over de onnavolgbare gedachtegang van de wijsgeer."
Publicaties (selectie)
De structuur van Hegels wijsbegeerte (Leuven, 1962) Hegel, Marx en de cybernetica (Leuven, 1963) Van causa sui tot automatie - rede (Nijmegen, 1966) Wetenschapstheorie als maatschappijkritiek (Utrecht, 1972)
Lolle Nauta (1929-2006) doceerde wetenschapsfilosofie en sociale filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Leerling van Helmuth Plessner (zie aldaar). Zijn dood in 2006 kwam onaangekondigd. Nauta was een gekend Sartre-exegeet. Zijn uiterst leesbare Sartre-monografie (1966) dient voor veel (filosofie)studenten nog altijd als eerste kennismaking met de omnipotente Franse filosoof. Nauta was een geëngageerd filosoof, hij promoveerde in de vroege jaren '70 met een dissertatie over Albert Camus en publiceerde nadien over tal van sociaal-filosofische vraagstukken. Van het Groningse hooglerarencorps was Nauta de enige denker die gespaard bleef in de bijtende kritieken van Age Bijkaart (W.F. Hermans) en mocht zich zelfs, op gepaste afstand, op diens vriendschap verheugen. Nauta werd bij het grote publiek bekend als ideoloog van de PvdA, maar nam in de jaren '90 afstand van de partij op grond van de visie-loze politiek van toenmalig partijleider Wim Kok. In deze periode liet Nauta zich wellicht van zijn meest kritische kant zien (zie Nauta, 2000). Tegenover een journalist liet de toen 71-jarige Nauta weten dat hij zich ergerde aan "filosofen die nog steeds uitgaan van het idee dat de filosofie de koningin der wetenschappen is. Zij zeggen: al die wetenschappers zijn alleen maar met een heel klein stukje van de werkelijkheid bezig, wij filosofen zijn er om de fundamentele vragen te stellen. Zij hebben het nog steeds over >de grond<, >het zijn< of >de totaliteit?<. Op dit punt ben ik volledig positivist en beschouw ik dergelijke uitspraken als pretentieus en onzinnig. Dat is wat ik noem de >filosofie met de grote F<. Helaas is die nog steeds populair."
Publicaties (selectie)
De mens als vreemdeling: een wijsgerig onderzoek naar de antropologische en religieuze betekenis van het probleem der absurditeit en de figuur van de vreemdeling in de moderne literatuur (Amsterdam, 1960)
De gerealiseerde utopie en andere sociaal-filosofische stukken (Amsterdam, 1981)
De rol van de intellectueel: een discussie over distantie en betrokkenheid (Amsterdam, 1992) Onbehagen in de filosofie: essays (Amsterdam, 2000)
Cornelis Verhoeven (1928-2001) was hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Verhoeven was naast hoogleraar ook een verwoed verzamelaar van spijkers en kon bogen op grote kennis op dit terrein. Hij was met name fier op zijn bijzondere collectie Romeinse nagels. In zijn memoires De glans van oud ijzer, 1928-1982 (1996) schrijft de collectioneur Verhoeven over de diepere betekenis van zijn markante verzameling. Verhoeven legde zijn grote kennis van de klassieke filosofie vast in een omvangrijk wijsgerig oeuvre dat essays, kritieken, traktaten en een hagiografie omvat. Hoewel geen lezer, kon hij bogen op een geweldige eruditie. en verzorgde als 's lands meest eminente Plato-kenner tal van inleidingen op diens werk. Bijzonder is Verhoevens preoccupatie met kleine woorden. Net als van denksystemen had Verhoeven een afkeer van grote woorden. Hij heeft vele bundels op zijn naam staan met korte beschouwingen en glossen over afzonderlijke woorden waarin hij met eigen woorden omschrijft wat volgens hem een woord aan "nestgeur, sfeer, bijbetekenissen, gevoels- en gebruikswaarden" bezit. Diens voorliefde voor etymologie uitte zich tevens in zijn bewondering van het werk van Martin Heidegger. Ten slotte noemen we nog zijn knap geschreven autobiografische geschriften en concluderen dat Cornelis Verhoeven wellicht de meest veelzijdige filosoof in het Nederlands taalgebied is geweest.
Publicaties (selectie)
Bijna niets: beschouwingen tussen taal en werkelijkheid (Amsterdam, 1970)
Lof van de mikrologie. Oratie (Amsterdam, 1982) Voorbij het begin: de Griekse filosofie in haar spiegel (Amsterdam, 1984) De glans van oud ijzer, 1928-1982 (Amsterdam, 1996)
Een inleiding in de filosofie (Budel, 1998)
Over Cornelis Verhoeven
Charles Vergeer, De blik terug: herinneringen aan Cornelis Verhoeven (Budel, 2004) Ben Schomaker, Op het tweede oog: over het denken van Cornelis Verhoeven (Budel, 2003)
Helmuth Plessner (1892-1985), geboren te Wiesbaden, Duitsland. Plessner doceerde wijsgerige antropologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en diens langdurige verblijf aan de Groningse filosofiefaculteit legitimeert onzes inziens zijn vermelding in dit overzicht. Plessners werk wordt in Nederland nog weinig gelezen, maar wordt in kleine kring zeer bewonderd. De Amsterdamse wijsgerig antropoloog en wiskundige Maarten Coolen is een van de weinige Nederlandse filosofen die het werk van Plessner nog met studenten bespreekt. De geringe bekendheid van Plessner houdt verband met diens moeilijk te plaatsen filosofische positie ten opzichte van vakgenoten. Hij combineerde neokantiaanse, fenomenologische en levensfilosofische ideeën en plaatste zich door zijn synthetisch denken aldus buiten de grote wijsgerige scholen. Maar ook het conflict met Max Scheler die hem van plagiaat beschuldigde heeft Plessners carrière sterk gehinderd. Een laatste oorzaak valt samen met de overspannen publicitaire humbug waar schrijvers en wetenschappers ook hedentendage door geplaagd worden: het verschijnen van Plessners boek Die Stufen des Organischen und der Mensch (1928) viel samen met de uitgave van een van de grootste wijsgerige werken van de vorige eeuw: Heideggers Sein und Zeit. Inhoudelijk is het werk van Plessner zeer origineel. Tegenover het cartesiaans dualisme stelt hij de denkbeweging dat de mens tegelijk binnen en buiten zichzelf is, zowel lichaam is en een lichaam heeft. Kenmerkend voor de mens is diens "exzentrische Positionalität" van waaruit wij onszelf kunnen bekijken. In 1934 kwam Plessner, van half-joodse komaf, op voorspraak van zijn vriend Frederik Buytendijk naar Groningen, waar hij in 1939 als hoogleraar sociologie werd benoemd en voor hem het Sociologisch Instituut werd opgericht. In 1943 werd hij om redenen inherent aan de bezettingstijd ontslagen, om in 1945 weer terug te keren. In 1951 vertrok Plessner naar Gottingen om de nieuw gestichte leerstoel sociologie aan de universiteit van Gottingen te bekleden. Hij bleef echter nauwe contacten onderhouden met vrienden, studenten en collega's in Nederland (waaronder Henk Pos en Lolle Nauta, zie aldaar) en verzorgde hier nog tal van lezingen. Studenten die gedegen kennis willen nemen van het werk van Plessner, haast u naar Amsterdam of Groningen, temeer voor de laatste lichting Plessnerianen reeds het avondrood lonkt.
Publicaties (selectie)
Die Stufen des Organischen und der Mensch. Einleitung in die philosophische Anthropologie (1928) Macht und menschliche Natur: ein Versuch zur Anthropologie der geschichtlichen Weltansicht (1931) Lachen und Weinen. Eine Untersuchung der Grenzen menschlichen Verhaltens (1941) Anthropologie der Sinne (1970)
Henk Pos (1898-1955) Hoogleraar Algemene Taalwetenschap, taalfilosofie en postklassiek Latijn en Grieks aan de Universiteit van Amsterdam. Was sedert 1932 hoogleraar wijsbegeerte aldaar; trad tijdens de Duitse bezetting af maar zette vanaf 1945 zijn ambt voort tot zijn vroege dood in 1955. Pos schreef een grote hoeveelheid artikelen over wijsgerige en psychologische themata die verspreid zijn verschenen in Nederlandse en buitenlandse tijdschriften. Een hoofdwerk ontbreekt echter in zijn oeuvre. Zijn briefwisselingen met eigentijdse filosofen, waaronder de neokantiaan Ernst Cassirer, beslaan vele tientallen gedrukte delen die in het bezit zijn van de Amsterdamse faculteitsbibliotheek alwaar deze op strikte voorwaarden zijn in te zien. Pos had een slechte gezondheid en verliet zich om die reden veel op zijn assistent Jan Hollak (zie boven). Over leven, werk en welzijn van Henk Pos is ons verder niet veel bekend. Aanvullingen op dit lemma zijn aldus zeer welkom.
Publicaties (selectie)
'Het affect en zijn uitdrukking in de taal', in: Het Nederlandsch Tijdschrift voor Psychologie, jrg. 1934, Afl. 5 en 6 'Over de voedzaamheid der filosofie', in: Het Kouter, jrg. 1940 'Idealisme contra existentialisme', in: Het Keerpunt, jrg. 1947 'Het streven naar zuivere theoretische, zo omvattend mogelijke en algemeen geldigheid beogende kennis (of metaphysica) als principiele grondslag van het Hoger Onderwijs in de Wijsbegeerte', in: Algemeen Nederlandsch Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie, jrg. 46 (1953/54)
Over Henk Pos
P.H.J.M. Derkx, H.J. Pos (1898-1955): objectief en partijdig: biografie van een filosoof en humanist (Utrecht, 1994)
Ludwig Heyde (1941-2000) studeerde theologie aan de Katholieke Universiteit Brabant en was hoogleraar metafysica en kenleer aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. De ontzetting was groot toen de dood van Heyde bekend werd gemaakt. Vele tientallen filosofen uit Nederland en Duitsland woonden zijn uitvaart bij. Heyde was een gerespecteerd filosoof in Nederland en zijn werk werd onder collega's hooggeacht. Ook onder de jongste generatie filosofen genoot Heyde veel aanzien. Zo droeg de populaire jonge filosoof en vermeend onderwijskenner Ad Verbrugge zijn boek Tijd van onbehagen (2004) aan hem op. Heyde was een groot kenner van het werk van Hegel, maar leverde ook interessante bijdragen aan de studies over Merleau-Ponty en Levinas. Heyde paarde zijn grote theoretische kennis van de filosofie aan een heel persoonlijk denken over totalitarisme en terreur en schreef een intrigerend hoofdstuk over de folterende vraag naar de afwezigheid van God in Auschwitz in zijn boek Het gewicht van de eindigheid (1995). In zijn postuum verschenen boek De maat van de mens (2000) betoogde Heyde dat de wereld beeld is geworden. De mens van vandaag de dag beschouwt alleen nog dat wat zichtbaar gemaakt kan worden als werkelijk. "Wat dubbelzinnig is, enigmatisch, afgrondelijk, mysterieus, wordt afgestoten." We leven in een "tijd van spektakel", aldus Heyde, en zo "wint de expressie het van de reflectie". Kort na zijn overlijden schreven critici dat het werk van de Nijmeegse filosoof al was vergeten. Deze enigszins mystificerende uitspraak achten wij opportuun, temeer het werk van Heyde door filosofiestudenten en docenten aan verschillende filosofiefaculteiten actief wordt bestudeerd. Wij roepen hen ook op dit lemma aan te vullen of hier ter plaatse te reageren op het werk van de door ons bewonderde filosoof (zie het contactformulier).
Publicaties (selectie)
De verwerkelijking van de vrijheid: een inleiding in Hegels rechtsfilosofie (Assen en Leuven, 1987) Problematische subjectiviteit: Kant, Hegel en Schelling over het Ik (Tilburg, 1991) Het gewicht van de eindigheid: over de filosofische vraag naar God (Amsterdam, 1995) De maat van de mens. Over autonomie, transcendentie en sterfelijkheid (Amsterdam, 2000)
Geertruide (Trudy) van Asperen (1941-1993) Amsterdams filosofe en publiciste. Was vanaf 1980 tot haar dood in 1993 hoogleraar Ethiek aan de Universiteit van Amsterdam. Verwierf postuum grote bekendheid met haar opstellen in de bundel Het bedachte leven: beschouwingen over maatschappij, zingeving en ethiek (1993). Tegenwoordig wordt haar werk vooral gelezen door eerstejaars filosofiestudenten. En met reden. Haar werk is helder, strak gecomponeerd en omwille van de stijl en thematiek een uitstekende inleiding op de filosofische en medische ethiek. Van Asperen was in staat haar grote eruditie te comprimeren tot een heldere frase die tot bezinning noopt: "Zingeving heeft met morele vragen te maken, maar gaat daar niet in op." Haar visie op maatschappelijke en ethische vraagstukken heeft zij in vele lezingen (waaronder de Den Uyllezing 1991: 'Bedreigd burgerschap') en artikelen naar voren gebracht. Van Asperen concentreerde zich in haar werk op de grote thema's: pijn, ziekte, dood en zingeving. Het bevragen van de moderne identiteit en de omgang met zingevingsvraagstukken kan het hoofdthema van haar denken worden genoemd. Maar van Asperen publiceerde ook over vraagstukken op het gebied van de politieke filosofie en ethische theorievorming en ethische beroepsuitoefening op het gebied van de medische ethiek. Zoals de Amsterdamse filosofen Frans Jacobs en Govert den Hartogh schreven, worden door Van Asperen de "gangbare grenzen overschreden teneinde een nieuw eenheidstichtend gezichtspunt te kunnen betrekken". Dat klinkt wollig en hopeloos academisch, maar de strekking ervan is waar. De Onderzoeksschool Ethiek organiseert tweejaarlijks de Trudy van Asperen Lezing. Doel van de lezing is "een impuls te geven aan de bezinning op beroepsethiek door een beoefenaar van een beroep aan het woord te laten, die zich met de ethische vragen van zijn beroep bezighoudt en daarover een goed verhaal kan houden".
Publicaties (selectie)
Hope and History: a Critical Inquiry into the Philosophy of Ernst Bloch (Utrecht, 1973) Het ongedwongen gesprek: over de waardevrijheid van een meta-ethische theorie (Groningen, 1977) Met de beste bedoelingen...Over de ideologie van de verzorgingsstaat. Oratie. (Amsterdam, 1981) Tussen cooperatie en conflict: inleiding in de sociale filosofie (Assen, 1986) 'Bedreigd burgerschap', Stichting Dr J.M. den Uyl-lezing (1991) Het bedachte leven: beschouwingen over maatschappij, zingeving en ethiek (Amsterdam, 1993) |